| Stafcompagnie |
De stafcompagnie was van een geheel andere samenstelling dan de tirailleurscompagnieën. Verschillende takken van dienst waren er administratief in ondergebracht.De meeste van deze diensten stonden rechtstreeks onder bevel van de Bataljonsstaf. Vanuit de stafcompagnie zijn deze diensten gedetacheerd bij de tirailleurscompagnieën wanneer dat nodig was. Tengevolge van onderbezetting bij deze eenheden was de Stafcompagnie vrijwel ononderbroken aangewezen op eigen mensen voor de bewaking van de bureau's en legeringsgebouwen.Het commando over de Stafcompagnie had aanvankelijk luitenant Walburg, maar na de 1e Politionele Actie werd dit overgenomen door kapitein Veenstra. Menage |
![]() |
![]() |
| Door het grote aantal militairen in Batoe duurde het daar lang voordat iedereen voorzien was. Een tweede keukenwagen werd ingevoerd. Half januari 1948 werd de fouragering in twee delen gesplitst, omdat ook Lawang voorzien moest worden. Vanuit die plaats werden toen Blimbing,Singosari en Nongkodjadjar bevoorraad. In het Westen kreeg men er in die tijd Sebaloeh bij, een post die erg in trek was, ondanks de maand "opsluiting" die er iedere kok moest ondergaan. |
| De
Tweede Politionele Actie begon. Naar Sebaloeh, van
waaruit enkele belangrijke acties werden uitgevoerd,
moest extra fourage worden gebracht. Hoes en zijn mensen
moesten daar de hele dag in touw zijn om constant warm
eten en drinken te hebben, zodat het er ging lijken op
een restaurant. Na de bezetting van Poedjon werd getracht
in de overgebleven puinhopen een bruikbare keuken in te
richten. Het lukte, naar lang bleef ze niet in gebruik,
want reeds in januari kwam de grote overplaatsing van het
gehele Bataljon naar Loemadjang. Wanneer er geen brug
opgeblazen was en wanneer de spoorlijn zelf nog compleet
genoemd kon worden, kwam het brood per trein uit Djember.
Meermalen echter was er stagnatie en dan gingen men zelf
naar Josowilangoen. De weekfourage kwam per trein ...
totdat op een goede dag een partij levensmiddelen, plus
35000 sigaretten, ontvreemd werden. Daarna ging het weer
per auto.Toen in maart de Staf naar Probolinggo trok,
werd de indeling nog eens veranderd. Het aantal keukens
groeide onrustbarend en bereikte op een gegeven ogenblik
de 28! In de uren dat de spullen bij de menagemeester
afgehaald werden was het daar dan ook een drukte van
belang. Een passar in het klein. Bakkerij Djember was
intussen vervallen en opnieuw werd brood betrokken uit
Soerabaja. Brandhout werd hier zelf gekocht. Het was niet
duur, maar de kwaliteit liet veel te wensen over. De
beruchtste van het nieuwe stel keukens waren wel Poespo
en Gerbo. Niet vanwege de post zelf, of door de kok, maar
vanwege de weg, die er heen liep. Deze periode bleef dan
ook niet zonder ongelukken. Meer dan eens werd er een
wagen gekraakt, terwijl ook de spoorlijn in de buurt van
Bangil wel eens werd opgeblazen. Men ging dan zelf naar
Porong of Sidoardjo, waar de trein werd opgehouden. Voor
alle zekerheid was de auto van de VO voorzien van een
Colt-vliegtuigmitrailleur, die vrijwel geen dienst hoefde
te doen. De 3e compagnie, die in voeding was hij de Huzaren van Boreel, beleefde heel wat moeilijkheden. Het was een doorlopende geschiedenis van omgehakte bomen en doorgesneden draden. Dat klaarzetten van de fourage voor de keukens vergde meer, dan men zou denken. Voor de diverse categorieën militairen was het rantsoen namelijk verschillend. Vrijwel iedere post bestond uit een mengsel van KL, KNIL, informanten en gevangenen. Vier verschillende groepen en dus ook vier verschillende rantsoenberekeningen. Een sombere dag in de Pasoeroean-periode was 14 mei 1949 toen de kok S.Bos in Poerwosari sneuvelde. De volgende dag werd hij met militaire eer begraven op Kembang Koening. Het keukenpersoneel was in de loop van de tijd niet voltallig gebleven. Al in Soerabaja werd sgt. Nieboer overgeplaatst naar de "X"-brigade, en anderen repatrieerden na ziekte of ongeval naar Nederland. Langzamerhand kwam er een tekort aan koks, dat aangevuld werd met jongens uit de troep die wel wat voor het vak voelden. Tenslotte kwam het vak Grissee, waar alles opnieuw ingericht moest worden. De 2e en 3e compagnie kwamen rechtstreeks onder Soerabaja. Naar de andere eenheden werd weer met de truck gereden. De wegen naar Patjiran, Sidajoe en Karang Binangoen waren verschrikkelijk slecht. In oktober 1949 werd de toko gesloten, maar het werk was nog niet gedaan, want aan boord van de "Tabinta" werd de pot klaargemaakt en ook de drie weken in Djakarta draaiden nog twee keukens op volle toeren. Tenslotte werd op de "Kota Inten" weer een beroep gedaan op de koks, maar nu niet voor een rijstmaaltijd, maar voor Nederlandse gerechten. |