|
De
bezetting van Madoera
De bezetting van Madoera had een lange voorgeschiedenis. Al op 6 juni
1946 had de Gouverneur van Oost-Java, van der Plas, aan Van
Mook gerapporteerd dat de bevolking van Madoera in zware
omstandigheden verkeerde en uitzag naar een bezetting door de
Nederlanders. Naar aanleiding hiervan vroeg Van Mook op 12 juni 1946
aan Generaal Spoor of een bezetting van Madoera mogelijk was.Spoor zag
hier echter liever vanaf, omdat hij hiervoor geen troepen vrij kon
maken en omdat niet over voldoende voedsel en kleding kon worden
beschikt om de bevolking te helpen.
In mei 1947 werd op een vergadering door ongeveer 1000 Madoerezen
gepleit voor afsplitsing van de Republiek. Hulp van de Nederlanders
was hier zeer welkom. Het plan werd als volgt opgesteld door van Mook:
Nederlandse troepen zouden bij een succesvolle opstand van de
Madoerezen tegen de Republikeinen zorgen voor orde in de chaos. Kwam
het zover dat tijdens de opstand de TRI hulp zou krijgen vanaf Java,
dan zouden de Nederlandse troepen de Madoerezen te hulp schieten en
een eind aan de strijd maken. Wanneer de Madoerezen echter hulp zouden
vragen voordat de opstand een feit was, dan zou dit niet worden
verleend.
Op 24 mei 1947 was operatie "Sprinkhaan", waarbij
3 Inbat
Madoera zou bezetten, gedetailleerd voorbereid. Tot een opstand kwam
het echter niet en de operatie werd afgelast. Tijdens de uitvoering
van de eerste politionele actie werd uiteindelijk over gegaan tot de
operatie. De commandanten, Kapt ter Zee van Waning en Majoor Citters,
kregen de opdracht om op 4 augustus een landing uit te voeren op twee
stranden. Groep Oost landde met behulp van een LST bij Darmatjamplong
en groep West bij Kamal.Een dag later was de helft van het eiland
onder controle.
|