Aan het eind van 1947 werd een aantal zaken duidelijker.
Allereerst kwam er een einde aan de Mariniersbrigade
zoals die in Amerika was gevormd. Tegelijkertijd kwam er
een einde aan het OVW-tijdperk', de kern van diezelfde
brigade. Voor de Koninklijke Marine werd de
Mariniersbrigade te duur. De bouw van een nieuwe vloot
eiste zulke grote investeringen dat er voor de
instandhouding van de Mariniersbrigade geen geld was. De
contracten met het OVW-personeel liepen af en het
materiaal moest worden vervangen. Maar de minister van
Marine voelde er weinig voor om een brigade in stand te
houden ten behoeve van het leger in Indië.
De oorlogsvrijwilligers van de brigade, en dat waren er
ongeveer 4800, onder wie veel specialisten en kaderleden,
zouden moeten worden vervangen worden door
dienstplichtigen. Begin 1948 zouden alle OVW'ers met een
kort-verband contract, rond 3200 man, zijn gerepatrieerd.
Begin oktober l947 kwam de commandant van het Korps
Mariniers, generaal-majoor Frijtag Drabbe, naar Indië en
besprak de plannen voor de opheffing van de brigade. Die
zou op 1 januari 1948 rond moeten zijn. In plaats van de
complete Mariniersbrigade met al zijn ondersteunende
wapens en diensten, zou een regiment komen met drie
bataljons, waarvan er twee operationeel zouden zijn. Het
derde bataljon bevatte de opleidingen en het depot in
Soerabaja. Elk bataljon zou 1300 man groot zijn en
volledig gemotoriseerd. De specialistische eenheden en
ondersteunende diensten kwamen te vervallen.
Eind april l 948 was de reorganisatie voltooid. Van de
Mariniersbrigade van 6350 man was een regiment van 4350
man overgebleven. Veel oorlogsvrijwilligers ervoeren dit
als een liquidatie van hun brigade. De
oorlogsvrijwilligers ging naar huis. De 1500
langverbanders bleven, verspreid over 4 en 5 INBAT. Ook
zij werden afgelost door dienstplichtigen.
|