Internering |
Soekarno |
19 december 1948
In het
presidentieel verblijf, had Soekarno op
zondagochtend 19 december 1948 zijn kabinet met spoed
bijeengeroepen. De zieke minister-president Hatta die in
de bergen verbleef werd per auto opgehaald. Alle
ministers, onder wie Sjahrir, waren van mening dat de
strijd moest worden voortgezet; men zou de stad niet
verlaten, maar zich zo nodig waardig laten arresteren.
Mochten de Nederlanders hen fusilleren, dan zou men
sterven als martelaar voor de vrijheid. Aan het begin van
de middag omsingelden eenheden van het Korps Speciale
Troepen onder leiding van luitenant-kolonel W -C.A. van
Beek, het onderkomen van Soekarno. Ze betrokken met hun
machinegeweren stelling en gaven een waarschuwingssalvo
af; kogels floten door de voorgalerij en de deuren. Het
was het spannendste ogenblik van de operatie. Het was
tevens het meest dramatische hoogtepunt van de Nederlands-Indonesische
confrontatie. Soekarno zag in dat zijn Republikeinse
garde, hoogstens een peloton sterk, in een hopeloze
positie verkeerde. En toen de eerste Nederlandse
mortiergranaten vielen, gaf hij order de wapens neer te
leggen. Hij liet een officier van zijn lijfwacht met een
witte vlag op de voorgalerij postvatten en wachtte de
komst van de Nederlanders af. Vervolgens trad de
bevelvoerende officier, luitenant-kolonel van Beek,
commandant van het Korps Speciale Troepen op Soekarno toe
salueerde en deelde mee dat Soekarno onder huisarrest
stond. Even later stormden de Nederlandse militairen de
residentie van Soekarno binnen, sloten onmiddellijk de
deuren en ramen af plaatsten schildwachten bij de
uitgangen en namen alle wapens in beslag. Volgens
Soekarno sprak van Beek op dat moment de volgende woorden:
"Als iemand van U van nu af aan in het bezit van
wapens wordt gevonden, wordt hij of zij ter plaatse
doodgeschoten."
Behalve ir. Soekarno werd bijna de hele Republikeinse
regering zoals vice-president drs.Mohammed Hatta,
minister van Buitenlandse Zaken Hadji Agoes Salim,
minister van Binnenlandse Zaken dr. Soekiman, minister
van Justitie Soesanto, minister van Onderwijs mr. Ali
Sastroamidjojo, minister van Arbeid Koesnan en de
adviseur van de president Soetan Sjahrir onder huisarrest
geplaatst. De opperbevelhebber van het Indonesische leger
(TNI), de door tuberculose verzwakte generaal Soedirman,
was niet in Nederlandse handen gevallen. Soedirman was
met zijn officieren bijtijds de bergen in gevlucht om
vandaar uit de leiding van het verzet en de Republikeinse
guerrilla op zich te nemen.
Diezelfde middag werd de geïnterneerde Soekarno per jeep
bestuurd door de KNIL-kapitein A. Vosveld, hoofd van de
dienst van de T -brigade, voor ondervraging naar het
hoofdkwartier van van Langen, commandant van de T -brigade
te Djokja, overgebracht. Na het gesprek met kolonel van
Langen werd Soekarno teruggebracht naar zijn woonplaats ,
waar hij en de andere Republikeinse leiders met hun
gezinnen onder huisarrest werden geplaatst in afwachting
van transport naar hun verbanningsoord.
![]() |
![]() |
19 dec. 1948 : De gevangengenomen Soekarno met leden van het Republikeinse kabinet |
19 dec. 1948 : Soekarno met Kapt. Vosveld in jeep nr. 28 |
Verbanning
naar Sumatra
Op 22 december
1948 om zeven uur 's morgens had Soekarno vijf
minuten om twee kleine koffertjes in te pakken en
afscheid te nemen van zijn gezin. Bij de kraton stond een
rij jeeps met chauffeurs. De geïnterneerden waaronder
Soekarno, Sjahrir, Agoes Salim kwamen achter elkaar naar
buiten, ieder begeleid door een gewapende Nederlandse
militair. Ze waren gekleed in een strak kakiuniform.
Nederlandse militairen reden de geïnterneerde
Republikeinse politici en hooggeplaatste militairen naar
het vliegveld Magoewo. Daar stond een Mitchell-bommenwerper
gereed.
Het toestel zette koers naar Medan. Vandaar vertrok men
per auto naar het huis van de landvoogd van Oost-Sumatra
in Prapat, gelegen aan de noordelijke oever van het Toba
meer in Noord-Sumatra. Eind januari 1948 eiste de
Veiligheidsraad dat de republikeinse leiders
teruggebracht zouden worden naar Djokja en in hun functie
hersteld zouden worden. De Nederlandse regering gaf
hieraan geen gevolg.
![]() |
![]() |
22 dec. 1948 :Soekarno op het vliegveld Magoewo |
22 dec. 1948 :Soeriadarma (li), Koesnen (mi) en Sjahrir (re) voor hun vertrek naar Sumatra |
In februari 1949 werden Soekarno en Salim met een paar Nederlandse officieren van Medan per Catalina-vliegboot naar het eiland Banka overgebracht. Toen ze aan land kwamen, droegen enthousiaste Indonesiërs hen op de schouders naar een wachtende auto. De gehele stad was uitgelopen en overal schreeuwden de mensen "Merdeka". De bevolking van Banka onthaalde Soekarno als een held. Soekarno en Salim werden onder militaire bewaking in een hotel op de berg Menumbing gebracht, in de buurt van de hoofdstad Muntok. Daar verbleven ook de andere gevangengenomen Republikeinse leiders, zoals vice-president Mohammed Hatta en minister van Binnenlandse Zaken mr. Mohammed Roem. Bijna alle Republikeinse leiders waren nu op Banka samengebracht. Begin maart 1949 voerde een delegatie van de Bijeenkomst Federaal Overleg (BFO), een groep (pro-Nederlandse) Indonesische politici, waaronder Anak Agoeng Gde Agoeng, de premier van de deelstaat Oost-Indonesie, besprekingen met Soekarno en Hatta in een hotel in Muntok. Medio april 1949 begonnen de informele besprekingen tussen een delegatie van de Republiek, onder leiding van mr. Mohammed Roem en een Nederlandse delegatie met aan het hoofd dr. J.H. van Roijen. In de eerste week van mei kwam er uiteindelijk een gemeenschappelijke verklaring van beide delegaties, het Van Roijen-Roem akkoord. Het voorzag onder meer in een wapenstilstand, het vertrek van de Nederlandse troepen uit Djokja, terugkeer van de Republikeinse leiders en in een Rondetafel-conferentie. Op 7 juli 1949 hield Soekarno in een smetteloos witte tropenpak met zijn zwarte pitji (kalotje) op, staande in een open auto, een triomfantelijke intocht in Djokja. Dezelfde plaats waar Nederlandse militairen hem zeven maanden eerder in verzekerde bewaring hadden genomen.