Nabestaanden
van het bloedbad in het Indonesische dorp Rawagede in 1947, tijdens de
Eerste Politionele Actie, hebben ingetogen gereageerd op de beslissing
van de Nederlandse rechter dat zij recht hebben op een
schadevergoeding.
De
90-jarige weduwe Cawi zei zich 'gezegend' en 'dankbaar' te voelen toen
het nieuws tot haar kwam.
Cawi was pas 20 toen haar echtgenoot Bitol op een ochtend naar zijn
werk in de rijstvelden vertrok, maar nooit meer terugkeerde. "Het was
niet eenvoudig om zijn lichaam terug te vinden", zei de nu
hoogbejaarde vrouw. Dat bleek op een grote hoop met lijken te zijn
gegooid.Nederlandse troepen arriveerden op 9 december 1947 in Rawagede,
op West-Java, en eisten van de dorpsbewoners dat zij hun zouden
vertellen waar zij een plaatselijke onafhankelijkheidsstrijder konden
vinden. Toen zij zeiden van niets te weten, werden vrijwel alle mannen
door de Nederlanders op een rij gezet en doodgeschoten.
Hulp
"Wij, de vrouwen, zagen alle dode lichamen. We konden niemand vragen
om te helpen bij het begraven", zei Cawi. "Omdat alle mannen dood
waren of het dorp waren ontvlucht, moesten we de lichamen met onze
blote handen begraven."
Hoewel de Verenigde Naties het bloedbad al in 1948 veroordeelden als
'moedwillig en genadeloos', is de Nederlandse regering nooit
overgegaan tot vervolging van militairen voor hun rol in de moorden.
Nederland heeft bovendien nooit excuses aangeboden voor het bloedbad
in de voormalige kolonie. Wel is officieel spijt betuigd.
Schadevergoeding
Woensdag besloot de rechtbank in Den Haag dat zeven nabestaanden recht
hebben op een schadevergoeding. Hoe hoog die uitpakt, moet nog worden
bepaald. De rechter was van mening dat de staat zich niet helemaal kan
verbergen achter het argument dat het verzoek om compensatie verjaard
is.
Cawi maakt zich niet al te druk om de uitspraak. "Ik heb geen huis; ik
moet bij mijn kleinzoon wonen", zei ze. Het idee dat ze genoeg krijgt
om een eigen huis te betalen, klinkt echter wel aanlokkelijk in de
oren.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Fatale
principes
Twee oorlogen voerde Nederland in 1947 en 1948/49 tegen
de Republiek Indonesië. De emoties over deze 'Politionele
Acties', de excessen en het trauma van de dekolonisatie
lopen nog steeds hoog op. Een nieuwe studie rekent af met
vele mythen.
Elsbeth
Locher-Scholten
Ruim
vijftig jaar na het einde van de Nederlandse aanwezigheid
in Indonesië roept het koloniale verleden nog steeds een
breed scala van emoties op. Die variëren van woede over
niet-uitgekeerde Japanse vergoedingen voor oorlogsleed
tot morele verontwaardiging en schaamte over wat er de
jaren 1945-1949 aan militaire daden werd verricht. 'Nederlanders
schamen zich voor het koloniaal verleden', kopte het Historisch
Nieuwsblad in juli dit jaar op grond van een enquête
onder ruim vijfhonderd Nederlanders. Wanneer men zich
schaamt, is het wel goed te weten waarvóór. Voor dat
laatste biedt Afscheid van Indië alle
mogelijkheden. De Leidse historicus Wim van den Doel laat
in dit heldere overzicht van de dekolonisatie van
Indonesië zien dat er in de jaren 1945-1949 méér
gebeurde dan die huidige publiekstrekkers:
oorlogsmisdaden en de Politionele Acties.
Van
den Doel beschrijft de hink-stapsprong van het Nederlands
beleid, dat tweemaal hetzelfde parcours aflegde voordat
de eindstreep werd bereikt: van voortslepende
onderhandelingen tot akkoord (Linggadjatti 1946, Renville
1948) en korte koloniale oorlog (de Politionele Acties in
1947 en in 1948/1949). Hij doet dat met verve, met
scherpe analyses, met oog voor detail en pakkende citaten.
'Denk niet dat ik mij voorstel dat wij het nog zullen
beleven dat de Hollanders hier verdreven worden [...]
maar wel staan wij voor een eindeloze steeds heftiger
wordende strijd, waarin wij het op de duur zullen moeten
afleggen', profeteerde de gematigd progressieve
gouverneur-generaal A.C.D. de Graeff in 1929.
Maar
weinig Nederlanders konden zich wegdenken uit deze
droomkolonie. Begin 1946, toen de gewapende strijd al in
volle gang was, meende de regering in Den Haag nog dat
zelfstandigheid op zijn vroegst 'binnen den arbeidsduur
van de thans opkomende generatie' zou worden bereikt. Dat
was toch nog altijd een jaar of dertig. Het werd een
sterk verkorte arbeidsduur: in minder dan vijf jaar
erkende ook Nederland Indonesië als onafhankelijke staat.
Die onafhankelijkheid was uitgeroepen op 17 augustus 1945,
twee dagen na de capitulatie van Japan. Britse troepen
van het geallieerde oppercommando arriveerden eind
september in Batavia. Luitenant-gouverneur-generaal H.J.
van Mook kwam met zijn staf pas begin oktober 1945 aan.
Britten en Nederlanders werden geconfronteerd met een
revolutionaire chaos, waarop zij door het volkomen
isolement van de archipel onder de Japanners niet waren
voorbereid.
Dilemma's
Van
Mook, een zeer intelligente 'solitaire olifant' met een
enorme werklust, was een pragmaticus. Hij trad in het
najaar van 1945 al snel in overleg met Soekarno, tegen de
uitdrukkelijke bevelen van de Nederlandse regering in.
Het was ook pragmatisme - geboren uit militaire onmacht -
die Van Mook naar de onderhandelingstafel dreef en hem in
1945 deed besluiten het eiland Java aan de Republiek te
laten. Van den Doel ruimt daarbij een belangrijke plaats
in voor het federalisme, de constructie uit Nederlandse
koker die de vorming voorzag van Indonesische deelstaten
waar de Republiek er één van zou worden. Hij schildert
de deelstaat af als de late totstandkoming van het
vooroorlogse ideaal van de 'moderne koloniale staat', die
in het conservatieve Indië van toen niet gerealiseerd
werd. Het is een centraal concept in zijn boek, dat hij
definieert als een democratie-in-wording. Zij diende te
bestaan uit meer democratisch samengestelde bestuurlijke
lichamen met een Indonesische meerderheid onder westerse
leiding en met ruimte voor het westerse bedrijfsleven.
Een semi-koloniaal ideaal dus.
In
het Akkoord van Linggadjatti tussen Nederland en Indonesië
(1946) werd vastgelegd dat er in ieder geval drie
deelstaten zouden komen: Oost-Indonesië, Borneo en de
Republiek (Java en Sumatra). Kleinere eenheden zouden
niet levensvatbaar zijn. Toch was ook die structuur een
gok. Hoe zouden het in demografisch en economisch opzicht
veel sterkere Java en Sumatra, nog afgezien van hun
revolutionaire strijdbaarheid, zich tot de andere twee
verhouden? Op beide eilanden leefde immers tachtig
procent van de Indonesische bevolking, terwijl de
Indonesische economie dreef op de export uit Sumatra.
Toen
de onderhandelingen in 1947 verkilden en de guerrilla
bleef doorgaan, maakte Van Mook van de federale strategie
'het breekijzer om de Republiek uit zijn voegen te
lichten'. In de door Nederland veroverde gebieden namen
lokale elites hun kans waar om hun eigen federale staat
te stichten. Hun regeringen waren meer dan marionetten
die aan de Nederlandse touwtjes dansten, daarvoor waren
de nationalistische sentimenten te sterk. Evenmin waren
ze eigentijdse versies van de moderne - koloniale - staat
waarop Van Mook had gehoopt, met leiders die het algemeen
belang in het oog hielden en ook nog open stonden voor
Nederlandse 'adviezen'. Die leiders waren veelal
afkomstig uit de traditionele elite met hetzij een
weelderig society-leven en dito financiële
behoeften, hetzij dominante familiebelangen. Een van de
onoverkomelijke hindernissen in de vijf jaar van 'de
Indonesische kwestie' vormde de grote afstand tussen Den
Haag en Batavia. Zoals een minister het in 1946
formuleerde: 'Zij ginds leven onder feiten, wij hier
onder principes'. In Den Haag is het federalisme nooit
serieus onderwerp van discussie geweest. Daar brak men
zich slechts het hoofd - en uiteindelijk de nek - over
het grotere verband tussen de voormalige kolonie en het
moederland, de Nederlands- Indonesische Unie. Moest dit
een losse samenwerking worden van twee gelijkwaardige
staten, zoals Indonesië wenste, of een semi- koloniale
constructie met gedelegeerde taken op het gebied van
buitenlandse politiek en defensie, zoals Nederland
verlangde? Met hun keus voor een 'zware unie' verspeelden
het Nederlandse kabinet en parlement in het najaar van
1946 op een dramatische manier de enige kans op
overeenstemming na het Akkoord van Linggadjatti.
In
het voorbijgaan ruimt Van den Doel een paar hardnekkige
Nederlandse mythen op rondom het Indonesische
nationalisme. De Japanse invloed was niet de oorzaak van
het nationalisme in Indië, zoals lang is beweerd, al had
die een katalyserende werking op de republikeinse emoties.
Engeland heeft Nederland niet 'verraden' bij de
herbezetting van Indië in 1945. En de Verenigde Staten
hebben Nederland daarna niet 'in de steek gelaten'. Het
Britse opperbevel kon in 1945 en in 1946 niet meer doen
dan beveiliging van key areas, ontwapening en
repatriëring van de Japanners en bescherming van
kampgevangenen. Alleen al daarvoor moest fel worden
gestreden. De Amerikaanse regering steunde Nederland
aanvankelijk met militair materieel, politieke
bemiddeling en diplomatieke pressie. Het State Department
meende namelijk, ondanks zijn antikoloniale retoriek, in
de beginnende Koude Oorlog meer baat te hebben bij een
sterk Europa, inclusief Nederland, dan bij een nog
onduidelijk, onafhankelijk Indonesië.
Tandeloze
commissie
Nederland
had het dan ook aan de Verenigde Staten te danken dat de
Veiligheidsraad na de Eerste Politionele Actie in 1947
koos voor een vrij tandeloze 'Commissie van Goede
Diensten' om tussen de partijen te bemiddelen. De drie
achtereenvolgende Amerikaanse vertegenwoordigers te velde
werden allen binnen de kortste keren Republikeins gezind.
Nederlandse autoriteiten waren er blijkbaar 'een meester
in om ieder die lang met ons verkeert in het harnas te
jagen', zoals een topambtenaar op Buitenlandse Zaken
constateerde. Voor het State Department kwam de ommekeer
pas toen de Republiek in september 1948 haar
anticommunisme had bewezen door een communistische
opstand op Madioen neer te slaan. Met de Tweede
Politionele Actie in december 1948 groef Nederland
vervolgens internationaal haar eigen graf. Die late
internationale steun voor de Republiek had Van den Doel
wel meer kunnen benadrukken. Het is zeker niet alleen het
Indonesisch nationalisme geweest dat verantwoordelijk
moet worden geacht voor de overdracht van de
soevereiniteit.
Afscheid
van Indië is, zoals de titel al aangeeft, geschreven
vanuit een Nederlands perspectief. Zicht op de 'tegenstander'
ontbreekt in het boek echter niet. De Republiek was niet
het kleine groepje 'extremisten' dat de Nederlandse
publieke opinie van haar maakte. Het Indonesische
verlangen naar onafhankelijkheid was algemeen, de
onderlinge verdeeldheid tegelijkertijd groot. Conflicten
tussen aanhangers van diplomatie enerzijds en van strijd
anderzijds, tussen Republikeinse leiders in het
verwesterde Batavia en die in het Indonesische Yogyakarta,
tussen strijdbare jongeren (pemuda) en lokale
elites, tussen islamitische en 'seculiere' nationalisten,
werden met alle mogelijke politieke en militaire middelen
uitgevochten. Militaria nemen in het boek een door de
politieke omstandigheden ingekaderde maar belangrijke
plaats in. Van den Doel heeft de Twee Politionele Acties
consequent omgedoopt in Eerste en Tweede Nederlands-
Indonesische Oorlog, een benaming die het zicht op de
gebeurtenissen verhoogt, al laat de gebruikelijke term
Politionele Acties (met hoofdletters) ook weinig aan
duidelijkheid te wensen over. Het waren oorlogen, die
niet langer duurden dan enkele weken. Maar het geweld
bleef niet beperkt tot die 'oorlogen'. Geweervuur van
militaire schermutselingen was de gehele vijf jaar te
horen. In toenemende mate werd die guerrilla van beide
zijden een 'vuile oorlog', zoals de auteur illustreert
met enkele voorbeelden, zoals de affaire-Westerling en
Republikeinse moorden op Chinezen. Het blijft een wrang
gegeven dat in het laatste jaar 1949 evenveel Nederlandse
slachtoffers zouden vallen als in de drie jaar daarvoor.
In totaal lieten bijna 5.000 Nederlandse militairen het
leven. Aan Indonesische zijde viel een veelvoud daarvan:
naar schatting 150. 000.
Afscheid
van Indië vult een gat in de markt. Het laatste,
summiere, overzicht De dekolonisatie van Indonesië,
door C. Smit, verscheen ruim een kwart eeuw geleden.
Daarna moesten we het stellen met een omvangrijke
bronnenpublicatie, met artikelen en dissertaties over
deelaspecten zoals Jan Banks De katholieken en de
Indonesische Revolutie, biografieën en memoires, en
met hoofdstukken in overzichtswerken. Zes jaar geleden
waren er in totaal zevenduizend titels over de
Indonesische onafhankelijkheid verschenen. Sindsdien is
de stroom publicaties niet afgenomen. De Indonesische
werken kon Van den Doel weliswaar schrappen (hij leest
geen Indonesisch), maar er bleef genoeg vertaalde literatuur over om ook de Indonesische kant van het
verhaal te vertellen. Bovendien heeft Van den Doel
grondig gebruik gemaakt van de eerdergenoemde
bronnenpublicatie, die anderhalve meter plank vult, en
deed hij incidenteel aanvullend archiefonderzoek. De
historische productie van de afgelopen halve eeuw heeft
hij in de korte werktijd van twee jaar in een goed lopend
verhaal verwerkt. Dat alleen al is een prestatie, zeker
wanneer dat in deze vorm gebeurt met een doorlopende
verhaallijn, beelden bij de feiten en knappe
beschouwingen. Dat tempo heeft echter ook behoorlijk wat
slordigheden in de hand gewerkt. Een daarvan leidde
meteen al tot foutieve berichtgeving in deze krant (29.8.2000).
De Tweede Politionele Actie werd niet op 11 augustus maar
op 5 januari 1949 beëindigd. Op 11 augustus volgde een
algeheel staakt-het-vuren van beide partijen.
Uitgesproken
meningen
Voor
wie goed in het onderwerp zit, biedt het boek geen hard 'nieuws'.
Wel heeft het een eigen structuur en biedt het
uitgesproken meningen. Van den Doel schuwt het debat niet.
In de historische literatuur werd het Nederlandse beleid
doorgaans negatief beoordeeld. Het zou in de jaren 1945-1949
kansen hebben gemist, omdat het de gevangene was van zijn
verleden, van zijn koloniale trots en van zijn
oorlogservaringen. Slechts enkele Nederlandse historici
hebben een wat positiever geluid laten horen. J.J.P. de
Jong stelde bijvoorbeeld dat Nederland 'gerichte
dekolonisatie' nastreefde, en P.J. Drooglever zei in 1996
dat Nederland 'het zo gek nog niet had gedaan'. Nederland
had volgens hem - bedoeld en onbedoeld - meegewerkt aan
de stabilisering van een nieuwe maatschappelijke en
militaire orde in Indonesië. Van den Doel bestrijdt dit
revisionisme, en doet dat op goede gronden. Hij sluit
zich zodoende weer aan bij de wetenschappelijke mainstream,
die het Nederlandse beleid veroordeelt als conservatief.
Het hangt er natuurlijk maar vanaf wat men onder 'gerichte
dekolonisatie' verstaat. Voor de Nederlandse regering was
een erkenning van zelfstandigheid 'binnen den arbeidsduur
van de thans opkomende generatie', wellicht een breuk en
golden voorstellen voor een overgangsperiode als een
belangrijke concessie. Voor de tegenpartij was er op haar
beurt in die slakkengang weinig te merken van 'gerichte
dekolonisatie'. Dat Nederland het 'zo gek nog niet deed',
kan volgens Van den Doel in elk geval niet worden
afgeleid uit de gevolgen van de twee oorlogen voor het
nieuwe Indonesië. Dat verloor meer dan honderdduizend
burgers, leed grote economische en bestuurlijke schade en
hield er een dominant leger aan over, dat nog lang van
zich zou laten horen.
Van
den Doel ziet internationale vergelijking als een
objectiever criterium. Zo'n vergelijking valt weinig
gunstig uit. Ook dat hebben andere historici al eerder
vermeld, al verwijst hij niet naar alle relevante
literatuur. De onafhankelijkheid van voormalige Europese
kolonies is nergens simpelweg met een handdruk en een
glimlach tot stand gekomen, maar er zijn wel gradaties in
de strijd om de machtsoverdracht. Amerikanen en Britten
hadden al vóór de Tweede Wereldoorlog de
onafhankelijkheid van de Filippijnen en India voorbereid.
Met de Fransen in Indo-China deelden de Nederlanders een
gebrek aan inzicht in de kracht en populariteit van het
naoorlogse Aziatische nationalisme.
Faillissement
Opmerkelijk
is Van den Doels waardering van de rol die economische
factoren bij de onafhankelijkheid hebben gespeeld. Die
zijn volgens hem niet van doorslaggevend belang geweest
voor de Nederlandse vasthoudendheid, maar hoogstens een
randvoorwaarde. Dat laatste bleek bijvoorbeeld in 1947,
toen de strijd onbetaalbaar dreigde te worden en een
Nederlands faillissement nabij leek. Minister van Financiën
P. Lieftinck eiste toen terugtrekking van de troepen, of
juist een militair optreden om de Nederlandse
ondernemingen te ontzetten. Dat werd 'Operatie Product',
de Eerste Politionele Actie. Toch speelde volgens Van den
Doel het 'Indië verloren, rampspoed geboren' geen
cruciale rol in de Haagse en Bataviase besluitvorming.
Het is de vraag of hij dat niet onderschat. Van Mook,
voor de oorlog directeur van Economische Zaken, was geen
leek op economisch terrein. Ook hij ging uit van de
betaalbaarheid en de economische overlevingskansen van
zijn federale structuur. Het bedrijfsleven hoorde immers
bij de 'moderne koloniale staatsvorm', die hij, zoals Van
den Doel zelf aangeeft, met het federalisme wilde creëren.
Bij de rondetafelconferentie speelden economische
argumenten zelfs een hoofdrol. In zijn conclusie kiest
Van den Doel voor formules als 'het treurspel der gemiste
kansen', 'een falen der generaties', zoals koningin
Juliana het bij de overdracht van de soevereiniteit in
1949 aanduidde. Het einde van Indië zou toch wel gekomen
zijn; daarover laat hij geen twijfel bestaan. De Ethische
Politiek na 1900 en moderne economische ontwikkelingen
hadden de koloniale orde complex, kwetsbaar en instabiel
gemaakt. Een gering aantal Europeanen (in Indië 0,4
procent van de totale bevolking) overheerste een
omvangrijke, steeds mondiger bevolking, met zeer beperkte
machtsmiddelen. Het Nederlandse 'falen' ligt niet in het
feit dat het einde kwam, maar in de wijze waarop het kwam.
En die wordt door Van den Doel terecht historisch
verankerd, in de Nederlandse afwijzing van politieke
hervormingen rond 1920 en in de jaren dertig, die ook in
Indië - zoals in Brits-Indië en op de Filippijnen - tot
een moderne koloniale staat met inspraak voor de
bevolking hadden moeten leiden. Niet alleen deze
generatie faalde, maar ook de generatie die in de jaren
veertig de macht uitoefende. Haar roepingsbesef, het
diepgewortelde idee als superieure westerling een taak te
hebben in de kolonie, vertroebelde het zicht op de
realiteit. Het besef van een taak in de archipel gold
voor Van Mook, het gold voor zijn generatie. Daarin ligt
de tragiek van de periode. Vanuit morele principes en
hard werkend - de hoeveelheid geproduceerde stukken over
Indië is indrukwekkend - weigerde Nederland afstand te
nemen van zijn kolonie. De 'Nederland-gidsland'-gedachte
bleek uiteindelijk fataal.
Afscheid
van Indië is een belangrijk boek over een belangrijk
onderwerp. Het maakt het mogelijk - om het eerder genoemd
citaat te parafraseren - als Nederlander anno 2000 zowel
'onder feiten' als 'onder principes' te leven. Betekent
dat 'de schaamte voorbij'? De inhoud van dit boek geeft
daar geen aanleiding toe.
|