Media en 

 literatuur

 

Weduwes blij met Rawagede-uitspraak

Nabestaanden van het bloedbad in het Indonesische dorp Rawagede in 1947, tijdens de Eerste Politionele Actie, hebben ingetogen gereageerd op de beslissing van de Nederlandse rechter dat zij recht hebben op een schadevergoeding.

De 90-jarige weduwe Cawi zei zich 'gezegend' en 'dankbaar' te voelen toen het nieuws tot haar kwam.
Cawi was pas 20 toen haar echtgenoot Bitol op een ochtend naar zijn werk in de rijstvelden vertrok, maar nooit meer terugkeerde. "Het was niet eenvoudig om zijn lichaam terug te vinden", zei de nu hoogbejaarde vrouw. Dat bleek op een grote hoop met lijken te zijn gegooid.Nederlandse troepen arriveerden op 9 december 1947 in Rawagede, op West-Java, en eisten van de dorpsbewoners dat zij hun zouden vertellen waar zij een plaatselijke onafhankelijkheidsstrijder konden vinden. Toen zij zeiden van niets te weten, werden vrijwel alle mannen door de Nederlanders op een rij gezet en doodgeschoten.

Hulp
"Wij, de vrouwen, zagen alle dode lichamen. We konden niemand vragen om te helpen bij het begraven", zei Cawi. "Omdat alle mannen dood waren of het dorp waren ontvlucht, moesten we de lichamen met onze blote handen begraven."
Hoewel de Verenigde Naties het bloedbad al in 1948 veroordeelden als 'moedwillig en genadeloos', is de Nederlandse regering nooit overgegaan tot vervolging van militairen voor hun rol in de moorden. Nederland heeft bovendien nooit excuses aangeboden voor het bloedbad in de voormalige kolonie. Wel is officieel spijt betuigd.

Schadevergoeding
Woensdag besloot de rechtbank in Den Haag dat zeven nabestaanden recht hebben op een schadevergoeding. Hoe hoog die uitpakt, moet nog worden bepaald. De rechter was van mening dat de staat zich niet helemaal kan verbergen achter het argument dat het verzoek om compensatie verjaard is.
Cawi maakt zich niet al te druk om de uitspraak. "Ik heb geen huis; ik moet bij mijn kleinzoon wonen", zei ze. Het idee dat ze genoeg krijgt om een eigen huis te betalen, klinkt echter wel aanlokkelijk in de oren.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Fatale principes


Twee oorlogen voerde Nederland in 1947 en 1948/49 tegen de Republiek IndonesiŽ. De emoties over deze 'Politionele Acties', de excessen en het trauma van de dekolonisatie lopen nog steeds hoog op. Een nieuwe studie rekent af met vele mythen.

Elsbeth Locher-Scholten

Ruim vijftig jaar na het einde van de Nederlandse aanwezigheid in IndonesiŽ roept het koloniale verleden nog steeds een breed scala van emoties op. Die variŽren van woede over niet-uitgekeerde Japanse vergoedingen voor oorlogsleed tot morele verontwaardiging en schaamte over wat er de jaren 1945-1949 aan militaire daden werd verricht. 'Nederlanders schamen zich voor het koloniaal verleden', kopte het Historisch Nieuwsblad in juli dit jaar op grond van een enquÍte onder ruim vijfhonderd Nederlanders. Wanneer men zich schaamt, is het wel goed te weten waarvůůr. Voor dat laatste biedt Afscheid van IndiŽ alle mogelijkheden. De Leidse historicus Wim van den Doel laat in dit heldere overzicht van de dekolonisatie van IndonesiŽ zien dat er in de jaren 1945-1949 mťťr gebeurde dan die huidige publiekstrekkers: oorlogsmisdaden en de Politionele Acties.

Van den Doel beschrijft de hink-stapsprong van het Nederlands beleid, dat tweemaal hetzelfde parcours aflegde voordat de eindstreep werd bereikt: van voortslepende onderhandelingen tot akkoord (Linggadjatti 1946, Renville 1948) en korte koloniale oorlog (de Politionele Acties in 1947 en in 1948/1949). Hij doet dat met verve, met scherpe analyses, met oog voor detail en pakkende citaten. 'Denk niet dat ik mij voorstel dat wij het nog zullen beleven dat de Hollanders hier verdreven worden [...] maar wel staan wij voor een eindeloze steeds heftiger wordende strijd, waarin wij het op de duur zullen moeten afleggen', profeteerde de gematigd progressieve gouverneur-generaal A.C.D. de Graeff in 1929.

Maar weinig Nederlanders konden zich wegdenken uit deze droomkolonie. Begin 1946, toen de gewapende strijd al in volle gang was, meende de regering in Den Haag nog dat zelfstandigheid op zijn vroegst 'binnen den arbeidsduur van de thans opkomende generatie' zou worden bereikt. Dat was toch nog altijd een jaar of dertig. Het werd een sterk verkorte arbeidsduur: in minder dan vijf jaar erkende ook Nederland IndonesiŽ als onafhankelijke staat. Die onafhankelijkheid was uitgeroepen op 17 augustus 1945, twee dagen na de capitulatie van Japan. Britse troepen van het geallieerde oppercommando arriveerden eind september in Batavia. Luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook kwam met zijn staf pas begin oktober 1945 aan. Britten en Nederlanders werden geconfronteerd met een revolutionaire chaos, waarop zij door het volkomen isolement van de archipel onder de Japanners niet waren voorbereid.

Dilemma's

Van Mook, een zeer intelligente 'solitaire olifant' met een enorme werklust, was een pragmaticus. Hij trad in het najaar van 1945 al snel in overleg met Soekarno, tegen de uitdrukkelijke bevelen van de Nederlandse regering in. Het was ook pragmatisme - geboren uit militaire onmacht - die Van Mook naar de onderhandelingstafel dreef en hem in 1945 deed besluiten het eiland Java aan de Republiek te laten. Van den Doel ruimt daarbij een belangrijke plaats in voor het federalisme, de constructie uit Nederlandse koker die de vorming voorzag van Indonesische deelstaten waar de Republiek er ťťn van zou worden. Hij schildert de deelstaat af als de late totstandkoming van het vooroorlogse ideaal van de 'moderne koloniale staat', die in het conservatieve IndiŽ van toen niet gerealiseerd werd. Het is een centraal concept in zijn boek, dat hij definieert als een democratie-in-wording. Zij diende te bestaan uit meer democratisch samengestelde bestuurlijke lichamen met een Indonesische meerderheid onder westerse leiding en met ruimte voor het westerse bedrijfsleven. Een semi-koloniaal ideaal dus.

In het Akkoord van Linggadjatti tussen Nederland en IndonesiŽ (1946) werd vastgelegd dat er in ieder geval drie deelstaten zouden komen: Oost-IndonesiŽ, Borneo en de Republiek (Java en Sumatra). Kleinere eenheden zouden niet levensvatbaar zijn. Toch was ook die structuur een gok. Hoe zouden het in demografisch en economisch opzicht veel sterkere Java en Sumatra, nog afgezien van hun revolutionaire strijdbaarheid, zich tot de andere twee verhouden? Op beide eilanden leefde immers tachtig procent van de Indonesische bevolking, terwijl de Indonesische economie dreef op de export uit Sumatra.

Toen de onderhandelingen in 1947 verkilden en de guerrilla bleef doorgaan, maakte Van Mook van de federale strategie 'het breekijzer om de Republiek uit zijn voegen te lichten'. In de door Nederland veroverde gebieden namen lokale elites hun kans waar om hun eigen federale staat te stichten. Hun regeringen waren meer dan marionetten die aan de Nederlandse touwtjes dansten, daarvoor waren de nationalistische sentimenten te sterk. Evenmin waren ze eigentijdse versies van de moderne - koloniale - staat waarop Van Mook had gehoopt, met leiders die het algemeen belang in het oog hielden en ook nog open stonden voor Nederlandse 'adviezen'. Die leiders waren veelal afkomstig uit de traditionele elite met hetzij een weelderig society-leven en dito financiŽle behoeften, hetzij dominante familiebelangen. Een van de onoverkomelijke hindernissen in de vijf jaar van 'de Indonesische kwestie' vormde de grote afstand tussen Den Haag en Batavia. Zoals een minister het in 1946 formuleerde: 'Zij ginds leven onder feiten, wij hier onder principes'. In Den Haag is het federalisme nooit serieus onderwerp van discussie geweest. Daar brak men zich slechts het hoofd - en uiteindelijk de nek - over het grotere verband tussen de voormalige kolonie en het moederland, de Nederlands- Indonesische Unie. Moest dit een losse samenwerking worden van twee gelijkwaardige staten, zoals IndonesiŽ wenste, of een semi- koloniale constructie met gedelegeerde taken op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, zoals Nederland verlangde? Met hun keus voor een 'zware unie' verspeelden het Nederlandse kabinet en parlement in het najaar van 1946 op een dramatische manier de enige kans op overeenstemming na het Akkoord van Linggadjatti.

In het voorbijgaan ruimt Van den Doel een paar hardnekkige Nederlandse mythen op rondom het Indonesische nationalisme. De Japanse invloed was niet de oorzaak van het nationalisme in IndiŽ, zoals lang is beweerd, al had die een katalyserende werking op de republikeinse emoties. Engeland heeft Nederland niet 'verraden' bij de herbezetting van IndiŽ in 1945. En de Verenigde Staten hebben Nederland daarna niet 'in de steek gelaten'. Het Britse opperbevel kon in 1945 en in 1946 niet meer doen dan beveiliging van key areas, ontwapening en repatriŽring van de Japanners en bescherming van kampgevangenen. Alleen al daarvoor moest fel worden gestreden. De Amerikaanse regering steunde Nederland aanvankelijk met militair materieel, politieke bemiddeling en diplomatieke pressie. Het State Department meende namelijk, ondanks zijn antikoloniale retoriek, in de beginnende Koude Oorlog meer baat te hebben bij een sterk Europa, inclusief Nederland, dan bij een nog onduidelijk, onafhankelijk IndonesiŽ.

Tandeloze commissie

Nederland had het dan ook aan de Verenigde Staten te danken dat de Veiligheidsraad na de Eerste Politionele Actie in 1947 koos voor een vrij tandeloze 'Commissie van Goede Diensten' om tussen de partijen te bemiddelen. De drie achtereenvolgende Amerikaanse vertegenwoordigers te velde werden allen binnen de kortste keren Republikeins gezind. Nederlandse autoriteiten waren er blijkbaar 'een meester in om ieder die lang met ons verkeert in het harnas te jagen', zoals een topambtenaar op Buitenlandse Zaken constateerde. Voor het State Department kwam de ommekeer pas toen de Republiek in september 1948 haar anticommunisme had bewezen door een communistische opstand op Madioen neer te slaan. Met de Tweede Politionele Actie in december 1948 groef Nederland vervolgens internationaal haar eigen graf. Die late internationale steun voor de Republiek had Van den Doel wel meer kunnen benadrukken. Het is zeker niet alleen het Indonesisch nationalisme geweest dat verantwoordelijk moet worden geacht voor de overdracht van de soevereiniteit.

Afscheid van IndiŽ is, zoals de titel al aangeeft, geschreven vanuit een Nederlands perspectief. Zicht op de 'tegenstander' ontbreekt in het boek echter niet. De Republiek was niet het kleine groepje 'extremisten' dat de Nederlandse publieke opinie van haar maakte. Het Indonesische verlangen naar onafhankelijkheid was algemeen, de onderlinge verdeeldheid tegelijkertijd groot. Conflicten tussen aanhangers van diplomatie enerzijds en van strijd anderzijds, tussen Republikeinse leiders in het verwesterde Batavia en die in het Indonesische Yogyakarta, tussen strijdbare jongeren (pemuda) en lokale elites, tussen islamitische en 'seculiere' nationalisten, werden met alle mogelijke politieke en militaire middelen uitgevochten. Militaria nemen in het boek een door de politieke omstandigheden ingekaderde maar belangrijke plaats in. Van den Doel heeft de Twee Politionele Acties consequent omgedoopt in Eerste en Tweede Nederlands- Indonesische Oorlog, een benaming die het zicht op de gebeurtenissen verhoogt, al laat de gebruikelijke term Politionele Acties (met hoofdletters) ook weinig aan duidelijkheid te wensen over. Het waren oorlogen, die niet langer duurden dan enkele weken. Maar het geweld bleef niet beperkt tot die 'oorlogen'. Geweervuur van militaire schermutselingen was de gehele vijf jaar te horen. In toenemende mate werd die guerrilla van beide zijden een 'vuile oorlog', zoals de auteur illustreert met enkele voorbeelden, zoals de affaire-Westerling en Republikeinse moorden op Chinezen. Het blijft een wrang gegeven dat in het laatste jaar 1949 evenveel Nederlandse slachtoffers zouden vallen als in de drie jaar daarvoor. In totaal lieten bijna 5.000 Nederlandse militairen het leven. Aan Indonesische zijde viel een veelvoud daarvan: naar schatting 150. 000.

Afscheid van IndiŽ vult een gat in de markt. Het laatste, summiere, overzicht De dekolonisatie van IndonesiŽ, door C. Smit, verscheen ruim een kwart eeuw geleden. Daarna moesten we het stellen met een omvangrijke bronnenpublicatie, met artikelen en dissertaties over deelaspecten zoals Jan Banks De katholieken en de Indonesische Revolutie, biografieŽn en memoires, en met hoofdstukken in overzichtswerken. Zes jaar geleden waren er in totaal zevenduizend titels over de Indonesische onafhankelijkheid verschenen. Sindsdien is de stroom publicaties niet afgenomen. De Indonesische werken kon Van den Doel weliswaar schrappen (hij leest geen Indonesisch), maar er bleef genoeg vertaalde literatuur over om ook de Indonesische kant van het verhaal te vertellen. Bovendien heeft Van den Doel grondig gebruik gemaakt van de eerdergenoemde bronnenpublicatie, die anderhalve meter plank vult, en deed hij incidenteel aanvullend archiefonderzoek. De historische productie van de afgelopen halve eeuw heeft hij in de korte werktijd van twee jaar in een goed lopend verhaal verwerkt. Dat alleen al is een prestatie, zeker wanneer dat in deze vorm gebeurt met een doorlopende verhaallijn, beelden bij de feiten en knappe beschouwingen. Dat tempo heeft echter ook behoorlijk wat slordigheden in de hand gewerkt. Een daarvan leidde meteen al tot foutieve berichtgeving in deze krant (29.8.2000). De Tweede Politionele Actie werd niet op 11 augustus maar op 5 januari 1949 beŽindigd. Op 11 augustus volgde een algeheel staakt-het-vuren van beide partijen.

Uitgesproken meningen

Voor wie goed in het onderwerp zit, biedt het boek geen hard 'nieuws'. Wel heeft het een eigen structuur en biedt het uitgesproken meningen. Van den Doel schuwt het debat niet. In de historische literatuur werd het Nederlandse beleid doorgaans negatief beoordeeld. Het zou in de jaren 1945-1949 kansen hebben gemist, omdat het de gevangene was van zijn verleden, van zijn koloniale trots en van zijn oorlogservaringen. Slechts enkele Nederlandse historici hebben een wat positiever geluid laten horen. J.J.P. de Jong stelde bijvoorbeeld dat Nederland 'gerichte dekolonisatie' nastreefde, en P.J. Drooglever zei in 1996 dat Nederland 'het zo gek nog niet had gedaan'. Nederland had volgens hem - bedoeld en onbedoeld - meegewerkt aan de stabilisering van een nieuwe maatschappelijke en militaire orde in IndonesiŽ. Van den Doel bestrijdt dit revisionisme, en doet dat op goede gronden. Hij sluit zich zodoende weer aan bij de wetenschappelijke mainstream, die het Nederlandse beleid veroordeelt als conservatief. Het hangt er natuurlijk maar vanaf wat men onder 'gerichte dekolonisatie' verstaat. Voor de Nederlandse regering was een erkenning van zelfstandigheid 'binnen den arbeidsduur van de thans opkomende generatie', wellicht een breuk en golden voorstellen voor een overgangsperiode als een belangrijke concessie. Voor de tegenpartij was er op haar beurt in die slakkengang weinig te merken van 'gerichte dekolonisatie'. Dat Nederland het 'zo gek nog niet deed', kan volgens Van den Doel in elk geval niet worden afgeleid uit de gevolgen van de twee oorlogen voor het nieuwe IndonesiŽ. Dat verloor meer dan honderdduizend burgers, leed grote economische en bestuurlijke schade en hield er een dominant leger aan over, dat nog lang van zich zou laten horen.

Van den Doel ziet internationale vergelijking als een objectiever criterium. Zo'n vergelijking valt weinig gunstig uit. Ook dat hebben andere historici al eerder vermeld, al verwijst hij niet naar alle relevante literatuur. De onafhankelijkheid van voormalige Europese kolonies is nergens simpelweg met een handdruk en een glimlach tot stand gekomen, maar er zijn wel gradaties in de strijd om de machtsoverdracht. Amerikanen en Britten hadden al vůůr de Tweede Wereldoorlog de onafhankelijkheid van de Filippijnen en India voorbereid. Met de Fransen in Indo-China deelden de Nederlanders een gebrek aan inzicht in de kracht en populariteit van het naoorlogse Aziatische nationalisme.

Faillissement

Opmerkelijk is Van den Doels waardering van de rol die economische factoren bij de onafhankelijkheid hebben gespeeld. Die zijn volgens hem niet van doorslaggevend belang geweest voor de Nederlandse vasthoudendheid, maar hoogstens een randvoorwaarde. Dat laatste bleek bijvoorbeeld in 1947, toen de strijd onbetaalbaar dreigde te worden en een Nederlands faillissement nabij leek. Minister van FinanciŽn P. Lieftinck eiste toen terugtrekking van de troepen, of juist een militair optreden om de Nederlandse ondernemingen te ontzetten. Dat werd 'Operatie Product', de Eerste Politionele Actie. Toch speelde volgens Van den Doel het 'IndiŽ verloren, rampspoed geboren' geen cruciale rol in de Haagse en Bataviase besluitvorming. Het is de vraag of hij dat niet onderschat. Van Mook, voor de oorlog directeur van Economische Zaken, was geen leek op economisch terrein. Ook hij ging uit van de betaalbaarheid en de economische overlevingskansen van zijn federale structuur. Het bedrijfsleven hoorde immers bij de 'moderne koloniale staatsvorm', die hij, zoals Van den Doel zelf aangeeft, met het federalisme wilde creŽren. Bij de rondetafelconferentie speelden economische argumenten zelfs een hoofdrol. In zijn conclusie kiest Van den Doel voor formules als 'het treurspel der gemiste kansen', 'een falen der generaties', zoals koningin Juliana het bij de overdracht van de soevereiniteit in 1949 aanduidde. Het einde van IndiŽ zou toch wel gekomen zijn; daarover laat hij geen twijfel bestaan. De Ethische Politiek na 1900 en moderne economische ontwikkelingen hadden de koloniale orde complex, kwetsbaar en instabiel gemaakt. Een gering aantal Europeanen (in IndiŽ 0,4 procent van de totale bevolking) overheerste een omvangrijke, steeds mondiger bevolking, met zeer beperkte machtsmiddelen. Het Nederlandse 'falen' ligt niet in het feit dat het einde kwam, maar in de wijze waarop het kwam. En die wordt door Van den Doel terecht historisch verankerd, in de Nederlandse afwijzing van politieke hervormingen rond 1920 en in de jaren dertig, die ook in IndiŽ - zoals in Brits-IndiŽ en op de Filippijnen - tot een moderne koloniale staat met inspraak voor de bevolking hadden moeten leiden. Niet alleen deze generatie faalde, maar ook de generatie die in de jaren veertig de macht uitoefende. Haar roepingsbesef, het diepgewortelde idee als superieure westerling een taak te hebben in de kolonie, vertroebelde het zicht op de realiteit. Het besef van een taak in de archipel gold voor Van Mook, het gold voor zijn generatie. Daarin ligt de tragiek van de periode. Vanuit morele principes en hard werkend - de hoeveelheid geproduceerde stukken over IndiŽ is indrukwekkend - weigerde Nederland afstand te nemen van zijn kolonie. De 'Nederland-gidsland'-gedachte bleek uiteindelijk fataal.

Afscheid van IndiŽ is een belangrijk boek over een belangrijk onderwerp. Het maakt het mogelijk - om het eerder genoemd citaat te parafraseren - als Nederlander anno 2000 zowel 'onder feiten' als 'onder principes' te leven. Betekent dat 'de schaamte voorbij'? De inhoud van dit boek geeft daar geen aanleiding toe.

 

 


 

 

Tragische blunder

Vijftig jaar na de 'politionele acties'

Jan Pluvier
 

'Ik spreek omdat ik Nederlander ben. Omdat ik Nederlander ben, zeg ik nee! tegen het geweld dat thans door ons in IndonesiŽ gepleegd wordt.' Dit schreef H.M. van Randwijk in een hoofdartikel in Vrij Nederland op 26 juli 1947, na het begin van de eerste zogenaamde politionele actie. Hij was een witte raaf. Het moet voor diegenen die die tijd niet hebben meegemaakt, moeilijk voorstelbaar zijn dat een halve eeuw geleden de meerderheid van de Nederlandse bevolking achter de IndiŽ-politiek van de regering stond. Dat was zelfs nog het geval toen in 1949 de mislukking van die politiek duidelijk was geworden.

Even moeilijk is het voor te stellen dat er behalve een paar weekbladen (waaronder Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, de Vrije Katheder en De Vlam) maar twee dagbladen (Het Parool en De Waarheid) waren die de politionele acties afkeurden. Toch was die houding wel logisch, want men was op school opgegroeid met de leesboekjes Blank en Bruin en met de trotse wandkaart van Nederlandsch-IndiŽ aan de muur. Bovendien was tijdens de Duitse bezetting als oppepper voor het gekwetste nationale gevoel Daar wťrd wat groots verricht verschenen met veel positiefs over het koloniale bewind.

Verenigde Staten van IndonesiŽ

Dat er zoiets als ontevredenheid onder de 'inlanders' zou bestaan, was nauwelijks doorgedrongen. De uitroeping, door Soekarno, van een onafhankelijke republiek (in de media vaak weergegeven als 'republiek' of repoeblik; de regering daarvan werd ook dikwijls tussen aanhalingstekens geplaatst) was dan ook een onplezierige verrassing. En toen er op losgeslagen werd, was het, meen ik, de nog katholieke Volkskrant die vond dat het van een landverraderlijke mentaliteit getuigde om over een oorlog te spreken in plaats van over een politionele actie. Oorlog was immers iets tussen staten en de republiek was geen erkende staat. Daarmee sloot men ook geen verdrag, maar een overeenkomst of een akkoord, zoals in Linggadjati was gebeurd.

De 'politionele acties' van 1947 en 1948 waren in feite twee korte Nederlandse militaire offensieven in de Indonesische vrijheidsoorlog die in 1945 begonnen was met de proclamatie van de republiek en die in 1949 met de souvereiniteitsoverdracht eindigde. Zij waren onderdeel van een koloniale politiek die er op gericht was de voor de IndonesiŽrs onaanvaardbare plannen voor de toekomst van hun land dwingend op te leggen. Begin 1946 had luitenant gouverneur-generaal Van Mook het voorstel van een federatieve staat, de Verenigde Staten van IndonesiŽ, ontvouwd. Eigenlijk was Van Mook niet geÔnteresseerd in het federalisme als beginsel, maar in het recruteren van Indonesische volgelingen met wie gedurende een overgangsperiode zou kunnen worden samengewerkt om het eigenlijke doel te bereiken, namelijk een staat gegrondvest op de traditionele maatschappelijke krachten die de nationalistische elementen doeltreffend zouden neutraliseren. Het moet de toch al argwanende IndonesiŽrs te denken hebben gegeven dat voor een van oudsher strikt centralistisch bestuurde kolonie nu plotseling decentralisatie als oplossing werd bedacht. Toen later de invulling ervan in de praktijk gebracht werd met de oprichting van door plooibare politici bemande deelstaten, aanvankelijk in de door de Engelsen en AustraliŽrs van de Japanners overgenomen gebieden (Oost-IndonesiŽ en Borneo), daarna ook op Java en Sumatra (Pasundan, Oost- en Zuid-Sumatra), was de term 'verdeel en heers' snel gevonden.

Linggadjati

Aangezien in 1945 Nederlands militaire kracht nog onvoldoende was om tot geweld over te gaan, probeerde men eerst door onderhandelingen te verkrijgen wat men wilde bereiken, namelijk een herstel van het Nederlandse gezag, anders dan voorheen met een wat grotere deelname van IndonesiŽrs, maar dan wel gehoorzame IndonesiŽrs. De republiek wilde ook wel onderhandelen, maar omdat Nederland tot eind 1946 afhankelijk was van de Britse bezettingsautoriteiten, was er voor haar geen onmiddellijke noodzaak om concessies te doen. Pas in november werd in Linggadjati een voorlopige overeenkomst gesloten waarbij Nederland het republikeinse gezag op Java en Sumatra als een feitelijk gegeven (dus niet de jure!) erkende en de republiek beloofde met Nederland samen te werken om de 'Verenigde Staten van IndonesiŽ' te verwezenlijken.

Daarna moesten de details nog worden uitgewerkt en het was in deze fase van het overleg dat de besprekingen vastliepen, toen de republikeinen niet akkoord gingen met de Nederlandse uitleg van de overeenkomst. Tot een aanvaarding van de Nederlandse souvereiniteit over het republikeinse gebied gedurende een overgangsperiode lieten zij zich uiteindelijk nog wel intimideren, maar zij weigerden standvastig Nederlandse politietroepen als onderdeel van een gemengde gendarmerie toe te laten: zij hadden geleerd van de vergissing van Ho Chi Minh die het Franse leger had toegestaan enkele steden in Vietnam te bezetten.

Politieke misgreep

Op 20 juli 1947 begon de eerste politionele actie. De veldtocht tegen de republiek was in verband met de Amerikaanse openbare mening beperkt van opzet en duur. Hij duurde twee weken en was militair een succes. Geheel West-Java, behalve Bantam waar niets te halen viel, Oost-Java en de Javaanse noordkust vielen in Nederlandse handen. Op Sumatra werden de mijnbouwgebieden in het zuiden en het cultuurgebied van de oostkust bezet; 'Operatie Product' was geen holle frase.

Maar politiek was de actie een misgreep. De republikeinse regering werd niet de gewenste schrik aangejaagd en zij volhardde in haar weigering om aan de Nederlandse eisen te voldoen. Bovendien was haar internationale aanzien vergroot doordat de Verenigde Naties zich met het conflict bemoeiden, hoewel die bemoeienis in de praktijk niet meer betekende dan dat aanbevelingen werden gedaan om de strijdende partijen met elkaar te verzoenen.

Bovendien hield het anti-kolonialisme van de Verenigde Staten niet in dat Amerika de IndonesiŽrs steunde; de Amerikaanse politiek was er een van neutraliteit die, doordat Nederland militair de sterkste partij was, de republiek benadeelde. Hierdoor werd het politieke succes van de republikeinse regering binnen een half jaar ongedaan gemaakt. Haar leiders deinsden bovendien terug voor een volksoorlog zoals Vietnam die tegen Frankrijk voerde, en in januari 1948 tekenden zij de Renville-overeenkomst die hen dwong zich neer te leggen bij het verlies van de door Nederland veroverde gebieden en bij de vorming van deelstaten in die gebieden.

Kort daarna, in maart, vormde Nederland een voorlopige federale regering waarin de republiek niet was vertegenwoordigd. Hierdoor maakte Nederland duidelijk dat zijn politiek erop gericht was om met steun van niet-republikeinse IndonesiŽrs zijn plannen zonder medewerking van de republiek en buiten de republiek om uit te voeren. Wel werd de republiek uitgenodigd om aan de werkzaamheden ter voorbereiding van de federatieve staat deel te nemen, maar voorwaarde was dat zij zich onder Nederlandse souvereiniteit zou plaatsen en zou afzien van een eigen leger.

Communistische opstand

Door deze eisen om zich de tanden te laten uittrekken, steeg de achterdocht van de republikeinen en naarmate de economische toestand in hun gebieden slechter werd als gevolg van de Nederlandse blokkade van de kustplaatsen, groeide in bepaalde kringen de overtuiging dat men beter op de Sowjet-Unie dan op de vrijblijvende sympathie van de Amerikanen kon vertrouwen. Deze opvatting leidde, samen met andere factoren, eind 1948 tot een communistische opstand in de republiek.

Niets heeft meer bijgedragen tot de mislukking van de Nederlandse politiek om de koloniale heerschappij te herstellen dan de onderdrukking van die opstand. Hoe wankel de binnenlandse situatie in de republiek ook bleef, de door het Westen gevreesde communistische invloed was, voorlopig althans, ingedamd en dit verhoogde het prestige van de republikeinse regering in de ogen van de Verenigde Staten. Amerika hoefde nu niet aan de kant van de koloniale mogendheid in te grijpen, zoals het een jaar later in Vietnam deed, maar het kon zich, uiterst voorzichtig, dat wel, iets van de Nederlandse politiek distantiŽren.

Dat bleek toen Nederland nogmaals tot het gebruik van militair geweld overging: met een luchtlandingsoperatie tegen Djokjakarta en de gevangenneming van Soekarno en zijn voornaamste ministers begon op 19 december 1948 de tweede politionele actie. Had de eerste actie tot doel gehad de republiek in het Nederlandse gareel te dwingen, de tweede had de uitgesproken bedoeling om de republiek, centrum immers van het revolutionaire Indonesische nationalisme, als militaire en politieke factor te vernietigen.

Kerstreces

De actie begon toen de Verenigde Naties met kerstreces waren om de internationale gemeenschap voor een fait accompli te stellen. Snelheid was dus vereist. Binnen twee weken waren alle steden op Java en de belangrijkste centra op Sumatra veroverd, behalve in Atjeh, waarop men bij de eeuwwisseling de tanden al eens had stukgebeten.

Een uitschakeling van de republiek als militaire factor was ook nu echter niet bereikt. Op 5 januari werd de actie afgeblazen. In de volgende maanden kwamen de Nederlanders voor een geleidelijk in kracht toenemende guerrilla te staan die zich uitbreidde naar gebieden die de republiek bij de Renville-overeenkomst had moeten prijsgeven. Op 1 maart 1949 vond een zware aanval plaats op Djokjakarta, de door de Nederlandse troepen bezette hoofdstad van de republiek, geleid door ene luitenant-kolonel Soeharto, die niet dan met de grootste moeite kon worden afgeslagen. De helft van alle Nederlandse gesneuvelden tussen 1945 en eind 1949 viel tussen januari en augustus 1949.

Soevereiniteitsoverdracht

Ook politiek leidde de tweede actie niet tot wat men zich ervan had voorgesteld. Terwijl Soekarno en zijn ministers op Bangka waren geÔnterneerd, functioneerde in Noord-Sumatra een republikeinse noodregering. In de bezette gebieden bleef collaboratie met de Nederlanders tot een minimum beperkt - de sultan van Djokjakarta gaf het goede voorbeeld. De om verschillende redenen met Nederland samenwerkende, maar toch ook wel nationalistisch georiŽnteerde politieke leiders van de deelstaten waren ontstemd over de poging om de republiek te liquideren en zij begonnen hun huik naar de wind te hangen. Verder veroorzaakte de overval grote verontwaardiging in AziŽ (die de KLM dwong via Mauritius naar Batavia te vliegen) en in de Verenigde Naties die een speciale commissie instelden om beide partijen bij te staan bij het totstandbrengen van een federale regering. Hierdoor verloor Nederland zijn alleenverantwoordelijkheid voor het bepalen van IndonesiŽ's toekomst. Had het bedrijfsleven zich nog redelijk welbevonden bij de eerste politionele actie, bij de tweede begon het zich af te vragen welke de consequenties van het militaire optreden konden zijn voor zijn toekomst, zowel in IndonesiŽ zelf als internationaal. Nederland werd geleidelijk in een positie gemanoeuvreerd waarin het zich via een nieuw akkoord met de republiek (de Roem-Van Royen verklaring), het herstel van de republikeinse regering in Djokajakarta, een wapenstilstand (in augustus) en een Rondetafel Conferentie bij het opgeven van zijn wingewest moest neerleggen. Op 27 december 1949 vond de Souvereiniteitsoverdracht plaats. Daarna werd in snel tempo de federale staat opgeruimd en vervangen door de eenheidsstaat waarin de republiek de toon aangaf.

Meer dan honderdduizend doden

Natuurlijk is het achteraf gemakkelijk te stellen dat Nederlands militaire optreden tegen de republiek - waarvan de twee politionele acties de sensationele hoogtepunten waren - tot mislukken gedoemd was. Maar men vraagt zich toch af of behalve het handjevol professoren, dominees en journalisten dat zich daar wel van bewust was, niemand onder de politieke en militaire smaakmakers heeft beseft dat de tijd van het kolonialisme in AziŽ - in welke fraaie vorm ook voorgesteld en met welke koninklijke woorden ook begeleid - voorbij was. Dat Engeland Brits-IndiŽ had verlaten en dat Frankrijk, sterker dan Nederland, toen al bezig was een uitzichtloze oorlog te voeren tegen Vietnam, kleiner dan IndonesiŽ. Dat legerfotografen wel juichende kinderen en emotioneel aangedane baboe's bij de intocht van de Nederlandse troepen in veroverde dorpen konden laten zien, maar dat de stemming onder de bevolking toch een geheel andere was. Dat Nederland onvoldoende middelen, financiŽel en anderszins, had om een strijdmacht van honderdveertigduizend manschappen blijvend te onderhouden. Dat de Verenigde Staten niet geÔnteresseerd waren in Nederlands-IndiŽ, maar in een IndonesiŽ dat niet zoals Vietnam door koloniale halsstarrigheid in het verkeerde kamp van de Koude Oorlog zou terechtkomen.

Barbara Tuchman heeft in haar boek The March of Folly een aantal historische politieke en militaire dwaasheden verzameld. Daar hoorden ook, ironisch genoeg, de Verenigde Staten bij met hun Vietnamoorlog. De Nederlandse politiek ten aanzien van IndonesiŽ zou ook moeiteloos in dat rijtje gepast hebben. Het was een tragische blunder die, afgezien van ruim honderdduizend IndonesiŽrs, ruim tweeduizend Nederlandse militairen het leven heeft gekost en vele anderen met een trauma heeft opgezadeld, al was het alleen maar doordat decennia later de aandacht gevestigd is op wat door sommigen excessen, door anderen oorlogsmisdaden werd genoemd. Het was bovendien een blunder die door een democratisch gekozen volksvertegenwoordiging werd gedekt.

Jan Pluvier is emeritus hoogleraar Moderne Aziatische Geschiedenis